PERSBERICHT

 

AHMAD ALI GEEFT ONJUISTE UITLEG

TOESCHEIDINGSOVEREENKOMST (TO)

 

Paramaribo, 14 april 2008

 

De Toescheidingsovereenkomst (TO) en met name Artikel 5 wordt verkeerd uitgelegd door Hamied Ahmad Ali in zijn advies van 2005 aan minister Ben Bot. Tot deze conclusie zijn Vereniging Surinaamse Nederlanders (VSN) en de met haar samenwerkende organisaties gekomen. De VSN-GROEP heeft een juristenteam van 12 personen die haar in deze materie adviseert.

 

Artikel 5 lid 2 TO luidt als volgt:

 

Meerderjarigen in Suriname geboren Nederlanders hebben het recht te ALLEN TIJDE ONVOORWAARDELIJK tot Suriname te worden toegelaten en in Suriname dienen zij in ALLE OPZICHTEN als SURINAMER (Surinaams Staatsburger) te worden behandeld.

 

Dit recht is aan deze groep gegeven omdat de Koninkrijkscommissie niet de weg van een dubbele nationaliteit wilde opgaan. Wel de dubbele rechten maar niet de dubbele nationaliteit.

 

De gerechtsdeskundige mr Piet Haarmans zegt in zijn deskundigenbericht aan het Eerste Kantongerecht op 03 augustus 2000 als conclusie:

Uit de stukken m.b.t. de rechtzaak van de heer M. Jankie tegen de Staat Suriname blijkt dat hij behoort tot de personen op wie de bepaling van art. 5 lid 2 TO van toepassing is. In concreto heeft hij geëist dat hij op de kiezerslijst wordt geplaatst om mee te kunnen doen met de verkiezingen. Kiezen is misschien niet zozeer het probleem als wel het gekozen worden. Dit laatste is meer een theoretische kwestie. Om gekozen te worden moet men immers door een aantal sluizen alvorens men daadwerkelijk in de volksvertegenwoordigende lichamen komt. De eerste en belangrijkste sluis is de politieke partij die kandidaten stelt. Een partij die weet dat een kandidaat een vreemde nationaliteit bezit zal deze zeker niet op de lijst plaatsen, tenzij bij vergissing zoals wel is voorgekomen. De kans dat een niet Surinamer presidentskandidaat wordt is dus zo goed als uitgesloten. Theoretisch blijft het echter op grond van art. 5 lid 2 TO mogelijk. Concluderend kan gezegd worden, dat naar mijn mening de tekst van art. 5 lid 2 TO en met name de woorden "in alle opzichten" het niet toelaat een dusdanige beperking aan te brengen dat het voor de in art. 5 lid 1 TO omschreven groepen niet mogelijk zou zijn in actieve of passieve zin aan de verkiezingen deel te nemen.

Volledig deskundigenbericht is te lezen in het Surinaams Juristenblad (SJB) 2007 december Nr. 3, p. 76.

 

Haarmans zegt op pagina 86 van zijn boek 1987 “De Toescheidingsovereenkomst in de praktijk”, ondermeer: Op grond hiervan kan gesteld worden dat de in art. 5 lid 2, bedoelde personen door deze maatregel beknot worden in hun recht van onvoorwaardelijke toelating. Met deze maatregel wordt bedoeld het visumvereiste.

 

Ahmad Ali zegt in zijn boek 1998 op pagina 73 onder de kop 3.5.2 Het recht van onvoorwaardelijke toelating tot Suriname en de behandeling “als Surinaamse staatsburgers”ondermeer het volgende:

 

In feite wordt aan deze categorie Surinamers slechts voor doeleinden van internationale recht geen dubbele nationaliteit toegekend. Maar de aanspraak op de behandeling “als waren zij in alle opzichten Surinaams staatsburgers” levert materieel beschouwd hetzelfde resultaat op als het hanteren van de Surinaamse nationaliteit als aanknopingspunt voor rechten en plichten.

 

Ahmad Ali 1998 zegt op pagina 43 het volgende: Oppositieleider Lachmon motiveerde dit standpunt in de Tweede Kamer als volgt: “Ik heb het Nederlands en Romeins recht bestudeerd en mijn juridische gevoel zegt mij, dat men iemand wel iets kan geven, maar men kan hem niets ontnemen zonder zijn toestemming”.

 

Toch heeft Ahmad Ali tegen betaling van € 20.000,== door de minister van Buitenlandse Zaken waarbij hij alleen en uitsluitend bij de Surinaamse regering behorende personen in 2005 heeft geïnterviewd en geen één rechthebbende, geadviseerd de onvervreemdbare rechten van de onder Artikel 5 lid 2 TO vallenden, in te perken. Zo heeft hij het Surinaams Inspraak Orgaan (SIO) die geen notie heeft van de TO (SIO zich nimmer voorheen hierover uitgelaten) dit is gebleken tijdens een vergadering op 22 februari 2008 tussen SIO en VSN-GROEP te Utrecht, ook kennelijk zover gekregen dit ondeugdelijk advies over te nemen. De Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken heeft hierbij onjuist gehandeld om een adviseur van de Surinaamse regering over dit onderwerp, ook zelf in te roepen. De onafhankelijkheid is hier niet bij gewaarborgd. Minister Bot (ex) en Verhagen kan hierbij onbehoorlijk bestuur worden verweten.

 

Eerder heeft de minister voor ontwikkelingssamenwerking op 22 juni 1976 namens de Nederlandse regering ondermeer het volgende aan de Tweede Kamer geschreven:

 

In dit verband wil ik opmerken dat, zoals hierboven reeds is gesteld, de toescheidingsovereenkomst het onvervreemdbare recht garandeert van Surinamers en Surinaamse Nederlanders om te allen tijde naar Suriname terug te keren. Suriname is volgens de bestaande regeling verplicht terugkeerders geen andere behandeling te doen ondergaan dan degenen die in Suriname zijn gebleven. Wellicht ten overvloede teken ik hierbij aan dat de Nederlandse Regering onverkort vasthoudt aan de inhoud van de toescheidingsovereenkomst op dit punt.

 

Dat deze groep zonder visum Suriname dient te worden toegelaten vindt ook de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken. Dit blijkt uit zijn brief van 18 december 2000 aan de Nationale ombudsman. Verwezen wordt naar pagina 8 en 9 van het openbaar rapport van de Nationale ombudsman nummer: 2001/168, 15 juni 2001. Verder worden de rechten ondersteund door de uitspraak van het Hof van Justitie van Suriname (HvJ) van 03 augustus 2007. Bij punt 13.3 van deze uitspraak zegt het HvJ het volgende:

 

Het Hof kan zich ook verenigen met de, hier zakelijk weergegeven, voorlopige beslissing van de Kantonrechter dat het voorgaande met zich brengt, dat Jankie behoort tot die groep van personen wie, ingevolge artikel 5 van genoemde Toescheidingsovereenkomst een aantal rechten toekomt, waaronder het recht ten allen tijde te worden toegelaten, alsmede het recht om gedurende het verblijf in Suriname in alle opzichten te worden behandeld als Surinaams staatsburger.

 

Zie ook SJB 2007 december Nr. 3 pagina 72.

 

Algemene Bepalingen uit het Surinaams Burgerlijk Wetboek (BW):

 

Artikel 1363 BW: Indien de bewoordingen van een overeenkomst duidelijk zijn, mag men daarvan door uitlegging niet afwijken;

 

Artikel 1372 BW: Indien men in een overeenkomst een geval heeft uitgedrukt, om de verbintenis duidelijk te maken, wordt men niet geacht daardoor te hebben willen inkorten en beperken de naar rechten verbindende kracht, welke de overeenkomst in de niet-uitgedrukte gevallen heeft.

 

Op 24 februari 2005 heeft de voorzitter van de vaste commissie van de Tweede Kamer der Staten Generaal prof dr Henk de Haan in de Nationale Assemblee (DNA) het volgende gezegd: Suriname zal steekhoudende argumenten dienen aan te dragen wil zij af van de Toescheidingsovereenkomst. Zie hiervoor DBS 25 februari 2005. Suriname heeft tot en met heden geen steekhoudende argumenten kunnen aandragen. Ook op vragen van het Tweede Kamerlid Harry van Bommel op 30 januari 2008 in de Tweede Kamer, is minister Maxim Verhagen hem hierover het antwoord schuldig gebleven.

 

Een interessant stuk over de TO hebben onlangs Jetinvestments in dWT van 31 maart 2008 onder de rubriek kapitaalmarkt en Eugene van der San in dWT van 28 maart 2008 geschreven.

 

Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht

 

Artikel 26. Elk in werking getreden verdrag verbindt de partijen en moet door hen te goeder trouw ten uitvoer worden gelegd.

 

Artikel 27. Een partij mag zich niet beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen. Deze regel geldt onverminderd artikel 46.

 

Volgens de VSN-GROEP kan de geconcludeerd worden dat Ahmad Ali een ZIG ZAG visie over Artikel 5 lid 2 TO heeft.

 

Dit zegt Mahin Jankie voorzitter van Vereniging Surinaamse Nederlanders (VSN) namens de VSN-GROEP.

 



Modify Website

© 2000 - 2010 powered by
www.doteasy.com